Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hageldag

betekenis & definitie

HAGELDAG, m. (-en), dag waarop het hagelt, HAGELEN, (het hagelde, heeft gehageld), het vallen van hagel: wat hagelt het; ik hoor het op de ruiten hagelen; als hagel in dichte massa neervallen het hagelde slagen op zijn lijf: het hagelde steenen.