Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Hacht

betekenis & definitie

HACHT, m. (-en), brok, goed stuk een hacht brood, spek; (aan boord) een hachtje spek, het rantsoen pekelspek voor één man; hij houdt wel van een goed hachtje, een flink stuk vleesch enz.vgl. HACHJE (2de art.).