Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Habitus

betekenis & definitie

HABITUS (Lat.), m. de uiterlijke gedaante, houding, kleur enz. bij mensch, plant en dier: sommige vetplanten munten uit door een decoratieven habitus en zijn als sierplant algemeen bekend.