Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Haat

betekenis & definitie

HAAT, m. een gevoel van diepen afkeer voor iemand, gepaard met de begeerte om dien persoon leed te doen haat tegen iemand opvatten, voeden;

— een blinde haat, die voor niets terugdeinst; een machtelooze haat;
— alleen haat en nijd doet hem zoo spreken;
—(bij uitbr. ook tegenover zaken of begrippen) hij haatte al die vreemde gebruiken met een onverzoenlijken haat;
— ’t is haat noch nijd, maar eigen profijt, hij doet het niet uit haat of afgunst, maar enkel om zijn voordeel.