Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Haasten

betekenis & definitie

HAASTEN, (haastte, heeft gehaast), tot haast aanzetten ge moet niet zoo haasten, we hebben nog tijd genoeg;

— (bijb.) zij die gelooven haasten niet, de geloovige wacht geduldig af;
— gehaast zijn, geen tijd hebben, gepresseerd zijn vergeef mij dat ik niet langer blijf ik ben wat gehaast;
— haast hebben „zal ik het boek morgen terugbrengen ?” „o, dat haast niet”;
— zich haasten, zich spoeden, ijlen ge moet u wat haasten, anders komt ge niet klaar:
— haast u langzaam. doe alles met overleg;
— haast je maar niet, (er komt nog eene tram), gezegd, wanneer men het haasten onnoodig vindt, kalmpjes aan.