Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Haardoek

betekenis & definitie

HAARDOEK, o. een weefsel van paardenhaar, dat b. v. gebruikt wordt voor zeven, als bekleedsel van stoelen enz.

— , m. (-en), (bij kappers) doek om het gesneden haar op te vangen.