Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

Haag

betekenis & definitie

HAAG, v. (hagen), heg, heining van struikgewas eene dichte haag; eene doornen haag;

— zijne kap over de haag hangen, smijten, het kloosterleven, den geestelijken stand vaarwel zeggen;
— (veroud.) hei roer in de haag steken, wegloopen, deserteeren;
— (gew.) achter de haag loopen, (van leerlingen) heimelijk de school verzuimen, spijbelen;
— (Zuidn.) achter de haag getrouwd zijn, in verboden echtelijken omgang leven; achter hagen en kanten, in het verborgen
— (dicht.) laag boschje:
— (gew.) stuk land dat door eene haag is omgeven;
— (steenb.) tas van ongebakken steenen, zoo opgebouwd dat de wind er door spelen kan; plank waarop zulk eene rij steenen te drogen staat;
— eene rij van tegen elkaar geplaatste stengels vlas (om te drogen). HAAGJE, o. (-s), den Haag verkorting van ’s Gravenhage.