Haag betekenis & definitie

HAAG, v. (hagen), heg, heining van struikgewas eene dichte haag; eene doornen haag; — zijne kap over de haag hangen, smijten, het kloosterleven, den geestelijken stand vaarwel zeggen; — (veroud.) hei roer in de haag steken, wegloopen, deserteeren; — (gew.) achter de haag loopen, (van leerlingen) heimelijk de school verzuimen, spijbelen; — (Zuidn.) achter de haag getrouwd zijn, in verboden echtelijken omgang leven; achter hagen en kanten, in het verborgen — (dicht.) laag boschje: — (gew.) stuk land dat door eene haag is omgeven; — (steenb.) tas van ongebakken steenen, zoo opgebouwd dat de wind er door spelen kan; plank waarop zulk eene rij steenen te drogen staat; — eene rij van tegen elkaar geplaatste stengels vlas (om te drogen). HAAGJE, o. (-s), den Haag verkorting van ’s Gravenhage.

Laatst bijgewerkt 12-09-2018