Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Gunstig

betekenis & definitie

GUNSTIG, bn. bw. (-er. -st), goedgezind, welwillend God zij u gunstig; het voorstel vond een gunstig onthaal, vond bijval;

— goed, voordeelig: de wind was gunstig; het weer is gunstig voor het gewas;
— een gunstig jaar, waarin voordeel werd behaald;
— eene gunstige gelegenheid, eene geschikte gelegenheid;
— een gunstig voorkomen, uiterlijk, dat aangenaam, innemend is;
— bw. (van wijze): hij was gunstig gestemd; hij is mij gunstig gezind;
— het boek werd gunstig ontvangen, vond een goed onthaal; een winkelhuis, gunstig gelegen op een der beste standen der stad; het oordeel luidde niet gunstig, ongunstig, nadeelig. GUNSTIGHEID, v.