Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Gunnen

betekenis & definitie

GUNNEN, (gunde, heeft gegund), gaarne zien dat een ander iets heeft of ontvangt, niet benijden iem. alles goeds gunnen; ik gun hem dat buitenkansje van harte; hij gunt niemand iets;

— ik gun je de pret! (of dat gun ik je !), van iets onaangenaams dat men gaarne aan den ander overlaat;
— iem. geen blik gunnen, hem met geen blik willen verwaardigen;
— iem. het licht in de oogen niet gunnen, iem. (inz. zijn mededinger) niet naast zich kunnen dulden, eig. hem niet gunnen dat hij leeft:
— uit gunst verleenen, schenken gun mij uwe welwillende aandacht;
— het is u van harte gegund, gezegd als men iets aan een ander afstaat;
— toestaan hij gunde zich den tijd niet om te eten; zich geen rust gunnen; eene aanbesteding gunnen, de uitvoering van het werk aan iem. toewijzen; de levering is hem gegund; het perceel is niet gegund, niet toegewezen. GUNNER, m. (-s), GUNSTER, v. (-s), die gunt. GUNNING, v. het gunnen; inz. de toewijzing van eene leverantie, aanbesteding, een bod de gunning is aangehouden.