Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Gulzig

betekenis & definitie

GULZIG, bn. bw. (-er, -st), begeerig, gretig,vraatzuchtig, snel en onmatig spijs of drank verorberende wees niet zoo gulzig; met gulzige teugen ledigde hij zijn glas; met gulzige blikken keek hij naar het brood;

— bw. op eene gulzige wijze gulzig eten.