Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Guiten

betekenis & definitie

GUITEN, (guitte, heeft geguit), (veroud.) spotten, den gek steken, schelden;

— (gew.) kraaien van plezier (van kinderen);
— (gew.) schreien, drenzen dat kind loopt den heelen dag te guiten;
— (ook gew.) huilen, gieren van den wind wat guit die wind in den schoorsteen.