Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grut

betekenis & definitie

GRUT, v. en o. gruis, de eene of andere zaak in fijn verbrokkelden of verbrijzelden toestand: (toen plantte hij zijn grof geschut en schoot de halve stad tot grut;

— allerlei waardelooze kleinigheden, uitschot, ontuig 't is maar grut;
— ’t is alles klein grut, b. v. van vruchten (appels, peren) die niet uitgegroeid zijn;
— klein grut, het kleine goedje, kleine kinderen wat is daar een klein grut over den vloer;
— (gew.) oud grut, kleine stukjes oud ijzer;

—, (-ten), graan (inz. boekweit en haver) dat op den molen verbrijzeld is, boekweitegort, haverdegort: gort bestaat uit heele, grutten uit gebroken korrels;
— (ook) kooksel, gerecht van grutten: grutten eten; zijn mond gaat als een pot met grutten die op het vuur staat en kookt; grutjes met stroop;
— (w. g.) gepelde gerst, gort; GRUTJE, o. (-s);
— basterdvloek, eene opzettelijke vervorming van God grut nog toe !; och lieve grutje'.