Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Gruit

betekenis & definitie

GRUIT, v. (veroud.) zeker plantaardig, kruidend oevoegsel aan het tot bier bestemde brouwvocht (in de 14de eeuw door de hop vervangen), waarvan in de middeleeuwen de alleenverkoop aan den landheer toekwam het recht van de gruit, het doorgaans verpachte recht van het verkoopen van de gruit aan de brouwers, (later) eene belasting op het gebrouwen bier; (veroud.) heffe, droesem;

— (gew.) slordig werk; (fig.) de gruit in iets brengen, iets bederven.