Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grossier

betekenis & definitie

GROSSIER, m. (-s), een koopman in het groot (in tegenst. met den verkooper of slijter in het klein, den winkelier), de tusschenhandelaar die de goederen uit de eerste hand ovemeemt om ze aan de kleinhandelaren over te doen hij is grossier in kruidenierswaren. GROSSIERDERIJ, v. (-en), bedrijf of winkel van een grossier.