Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Groschen

betekenis & definitie

GROSCHEN (Hd.), m. (groschen), eertijds zilveren, thans aanduiding van het nikkelen Zehnpfennigstuck = ƒ0,06.