Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

Grootte

betekenis & definitie

GROOTTE, v. (-n), omvang, (breedte, lengte, dikte, oppervlakte enz.): de polder heeft eene grootte van bijna 300 bunder; stukken van verschillende grootte;

— sterren van de eerste (tweede enz.) grootte, naar de indeeling der sterren naar haar graad van helderheid;
— (fig.) hij is een ster van de eerste grootte, een bij uitnemendheid voortreffelijk kunstenaar, geleerde, tooneelspeler enz.;
— die jongens zijn gelijk van grootte, hebben dezelfde lengte;
— het is in de grootte niet gelegen, anders zou de koe den haas wel vangen.