Grootte betekenis & definitie

GROOTTE, v. (-n), omvang, (breedte, lengte, dikte, oppervlakte enz.): de polder heeft eene grootte van bijna 300 bunder; stukken van verschillende grootte; — sterren van de eerste (tweede enz.) grootte, naar de indeeling der sterren naar haar graad van helderheid; — (fig.) hij is een ster van de eerste grootte, een bij uitnemendheid voortreffelijk kunstenaar, geleerde, tooneelspeler enz.; — die jongens zijn gelijk van grootte, hebben dezelfde lengte; — het is in de grootte niet gelegen, anders zou de koe den haas wel vangen.

Laatst bijgewerkt 12-09-2018