Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grootspraak

betekenis & definitie

GROOTSPRAAK v. grootsprekende taal, snoeverij wat hij zeide was geen grootspraak; zonder grootspraak mocht hij zeggen, dat dit alles voornamelijk zijn werk was;

— overdrijvende taal, overdrijving de schrijver vervalt dikwijls tot grootspraak. GROOTSPRAKIG, bn. rol grootspraak: een grootsprakige heildronk.