Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grootscheeps

betekenis & definitie

GROOTSCHEEPS, bw. op deftige, statige of prachtige wijze: hij heeft zijn huis grootscheeps ingericht; bij hem gaat alles grootscheeps, zeer royaal. GROOTSCHEEPSCH, bn. statig, zwierig, op grooten voet ingericht: eene grootscheepsche huishouding; op zijn grootscheepsch leven, op deftigen voet.