Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grootsch

betekenis & definitie

GROOTSCH, bn. bw. (-er, meest -), heerlijk, prachtig, luisterrijk: een grootschen staat voeren, weelderig leven;

— verheven, indrukwekkend: een grootsche waterval; in Zwitserland is de natuur veel grootscher dan in ons vlakke land; eene grootsche plechtigheid; eene grootsche gedachte; eene grootsche onderneming;
— trotsch, fier, (ook) hooghartig: hij is grootsch op zijn zoon; ik hen niet weinig grootsch op mijn nieuwen hoed; hij is te grootsch om iemands hulp te vragen, is daartoe te fier, heeft te veel eergevoel, (ook) is te hooghartig; zij is te grootsch om met haar minderen om te gaan;
— 't is grootsch volk, het zijn lieden die zich op hun rijkdom, stand enz. laten voorstaan;
— bw. op grootsche wijze: een grootsch aangelegd park.