Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grootouders

betekenis & definitie

GROOTOUDERS, m. mv. iemands grootvader en grootmoeder: zijn grootouders van vaderszijde leven nog; (ook) iemands voorouders, zijn voorgeslacht.