Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grootdadig

betekenis & definitie

GROOTDADIG, bn. (-er, -st), (w. g.) vermaard door groote daden: grootdadige helden; (w. g.) heerlijk, indrukwekkend; tot lof en glorie van Gods grootdadigen naam. GROOTDADIGHEID, v. (w. g.) heerlijkheid, grootheid zij werden allen verslagen over de grootdadigheid Gods.