Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grondig

betekenis & definitie

GRONDIG, bn. bw. (-er, -st), niet oppervlakkig, diepgaande, degelijk: grondig onderricht; een grondig kenner en beoefenaar onzer letteren; een grondig onderzoek;

— het wezen der zaak rakende, ingrijpend: eene grondige verbetering was daarvan het gevolg;
— op goede gronden steunende, deugdelijk hij heeft er grondige redenen voor;
— (van water) met gronddeeltjee bezwangerd, troebel wat ziet dat water grondig;
— (van visch) niet genoeg gespeend, naar grond smakende de zeelt is wat grondig;
— (Zuidn.) de grondige dag, nacht enz., de geheele, de godganschelfike dag enz. zij hebben den grondigen nacht gedronken en geklonken;

— bw. op grondige wijze, degelijk hij verstaat zijn talen grondig; de wiskunde grondig leeren;
— (w. g.) diep, innig: het speet hem grondig;
— (Zuidn.) in zeer hooge mate: het is grondig valsch; ik was toch zoo grondig kwaad. GRONDIGHEID, v.