Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Gronden

betekenis & definitie

GRONDEN, (grondde, heeft gegrond), den bodem van het water peilen eindelooze diepten die niet te gronden zijn; (fig.) iem. of iets doorgronden;

— (timm.) met de grondschaaf uitdiepen, verdiepen, (van sponningen of groeven);
— grondvesten een rijk, een troon gronden, vestigen; het huis is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond;
— baseeren: de Protestanten grondden hunne leer op het uitsluitend gezag van den bijbel; hij grondt zijn gevoelen op de uitspraak van verschillende gezaghebbende personen; mijn eisch grondt zich op vroeger door u gedane beloften, vindt daarin zijn grond;
— (schild.) de eerste laag verf op het doek, op het papier aanbrengen;
— (hij huisschilders) grondverven;
— (bij leerbereiders) de grondkleur aan het leder geven;
— (bij het etsen) eene laag vernis, den etsgrond op de plaat, waarop men etsen wil, aanbrengen. GRONDING, v.