Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grondboek

betekenis & definitie

GRONDBOEK, o. (-en), openhaar register waarin alle binnen een bepaald gebied gelegen onroerende goederen worden beschreven, met vermelding van den eigenaar en de zakelijke rechten daarop gevestigd;

...BOOR, v. (...horen), boorvormig werktuig tot het onderzoeken van den bodem;
...BORING, v. (-en), een onderzoek naar de hoedanigheid van den bodem door boren met de grondboor;
— (gew.) nagras en hooi van eene weide;
...BRAAK, v. (...braken), het instorten of eene instorting van grond, inz. bij een dijk: het herstellen van zoogenaamde vallen of grondbraken in dijken;
...BRIEF, m. (...brieven), bewijs van eigendom (van onroerend goed); (ook) akte van hypotheek;
...CIJNS, m. (...cijnzen), grondrente;
...DEKKING, v. (-en), (in de veldversterkingskunst) aarden hoogte om zich te dekken tegen vijandelijk vuur;
...DENKBEELD, o. (-en), denkbeeld dat aan andere denkbeelden of voorstellingen ten grondslag ligt, of waarvan wordt uitgegaan;
...DEPOT, o. (-s), voorraad of stapelplaats van aarde hij verdedigingswerken, dijken enz.