Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Groezelig

betekenis & definitie

GROEZELIG, bn. (-er. -st), vuil, smoezelig beduimeld, niet schoon: een groezelige boezelaar; wat is dat papier groezelig geworden; groezelige handen; wat ziet die meid er groezelig uit; morsig, onzindelijk nauwe, groezelige achterstraten;

— vaal van kleur wat heeft hij een groezelige, ongezonde kleur;
— (van eene (gladde) oppervlakte) ruw, korrelig; de etser moet voorkomen dat er stof of zand op den etsgrond valt, daar dit onder het bijten in het koper zou dringen, waardoor dit groezelig zou worden. GROEZELIGHEID, v.