Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Groeze

betekenis & definitie

GROEZE, ook GROES, v. (groezen), (gew.) met groen of gras bewassen land (ook) begroeid buitenland, gors; (gew.) grasnerf: de groes afsteken, zoden steken;

— (gew.) gescheurd en tot bouwland gemaakt weiland, driesch: eene groeze blijft jaren lang vruchtbaar zonder gemest te worden;
— (gew.) groen gewas, te veld staande of gemaaid: de groeze, het jonge groen, het nieuwe gras;
— (Zuidn.) lof, loof: de groeze van beten en rapen wordt gretig door het vee gegeten; de groezen van de aardappelen waren door de ziekte geheel verdroogd, de struiken, het groen.