Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Groentje

betekenis & definitie

GROENTJE, o. (-s), groene kleur wat een, helder groentje;

— wat eene groene kleur heeft: ik zal mijn groentje maar aantrekken, mijne groene japon;
— een sappig (sopperig, sapperde, soppende) groentje, zekere soort van peer, bergamot;
— groen loof, inz. van de stelen of blaadjes van rapen, wortelen, peterselie: als je de groentjes niet lust, leg ze dan maar op den kant van je bord;
— iem. die groen, d. i. onervaren is, nieuweling bij het leger of aan boord, pas aangekomen student.