Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Groenoog

betekenis & definitie

GROENOOG, o. zeker gebrek aan het oog van een paard, als de oogappel een groenachtigen weerschijn heeft;

—, m. en v. iemand die groene oogen heeft. GROENOOGIG, bn. met groene oogen.