Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Groei

betekenis & definitie

GROEI, m. het groeien, het toenemen in grootte de groei der planten; die knaap is in zijn groei, in zijn wasdom, de periode waarin hij groeit;

— eene broek die op den groei gemaakt is, te groot en te wijd genomen, ten einde ook bij toenemenden wasdom te kunnen dienen;
— hij heeft den groei in de beenen, zeker pijnlijk gevoel in de ledematen, dat men aan het groeien toeschrijft;
— die boom komt niet tot zijn vollen groei, tot volkomen ontwikkeling;
— groeikracht; er zit geen groei in dat kind, het gedijt niet, groeit niet;
— wat door groeien ontstaat, uitspruitsel, schot (van planten): snoei den wilden groei van dien heester maar af;
— de groei in t water, ontwikkeling van algen in ’t duinwater.