Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Groef

betekenis & definitie

GROEF, ook GROEVE, v. (groeven), greppel, sloot; groeven om het water af te leiden;

— kuil of put: (inz.) grafkuil, graf: de kist in de groeve neerlaten; bij de geopende groeve hield de predikant eene treffende lijkrede;
— (gew.) te groef gaan, mede ter begrafenis gaan;
— te groef bidden, ter begrafenis noodigen;
— (gew.) begrafenismaal;
— open ruimte waaruit de eene of andere delfstof gewonnen wordt, (ook) onderaardsche mijngang, mijnschacht; eene groeve umar zandsteen gehouwen wordt; steengroef, zoutgroef enz.;
— uitholling, inkerving eene groef in iets maken; de groeven op eene vijl; een pilaar met groeven; de zorg had diepe groeven in haar voorhoofd geteekend;
— (timm.) ingeschaafde sleuf in den kant eener plank, waar de messing van eene andere plank insluit, sponning. GROEFJE, o. (-s).