Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grimmig

betekenis & definitie

GRIMMIG, bn. bw. (-er, -st), hevig vertoornd, zeer boos, woedend zij werden door hun grimmige vervolgers van alle zijden bestookt; grimmig van spijt bonsde hij tegen de deur;

— vreeselijk om aan te zien een grimmig monster;
— het grimmig Noorden, het barre Noorden; het grimmig noodlot; een grimmige beer kwam op hem af;
— toornig, onvriendelijk een grimmige blik; een grimmig gelaat;
—, bw. op eene wijze die van woede blijk geeft: grimmig kijken; hij zag mij grimmig aan;
— fel, hevig: 't is grimmig koud, vinnig koud.