Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Grijs

betekenis & definitie

Het begrip grijs heeft 2 verschillende betekenissen:

1. grijs - GRIJS, bn. (grijzer, -t), lichtgrauw, witachtig vaal van kleur grijs haar; grijs teekenpapier; grijze kousen; het weiland, was grijs van de rijp; een grijze dag, een nevelachtige dag;
— (spr.) zich over iets geen grijze haren laten groeien, er zich geene zorgen over maken, zich iets niet aantrekken;
— grijs haar van iets krijgen, door schrik bevangen worden , (ook) ongeduldig zijn;
— grijsharig een grijs hoofd; de grijze landvoogd, de hoogbejaarde;
— hij is in den dienst grijs geworden, heeft er zijn leven in doorgebracht, er zijn beste krachten aan gewijd;
— overoud, aloud: het grijs verleden;
— de grijze oudheid, langvervlogen eeuwen; het grijze Keulen, het eeuwenheugende Keulen;
— het grijze slot; (w. g.) grijze verhalen, uit den ouden tijd afkomstig.

2. grijs - GRIJS, o. de grijze kleur;
— grijze kleederen: zij was in ’t grijs.