Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grijnzen

betekenis & definitie

GRIJNZEN, (grijnsde, heeft gegrijnsd), het gelaat tot eene grijns vertrekken, inz. valsch lachen doen hij dit gezegd had, begon hij te grijnzen; grijnzend lachen;

— (zegsw.) (w. g.) hij grijnst als de drommel tegen den dageraad, gezegd van iem. die leelijk kijkt;
— de hond grijnsde, toen de bedelaar naderde, liet de tanden zien;
— (fig.) van alle kanten grijnst het gevaar ons aan, het dreigt van alle kanten, GRIJZING, v. (-en).