Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Grenzenloos

betekenis & definitie

GRENZENLOOS, ook GRENZELOOS, bn. bw. zonder grenzen, onmetelijk, eindeloos groot: eene grenzenlooze zee van zand, van eene woestijn gezegd; grenzenlooze ellende; eene grenzenlooze verwarring; in iem. een grenzeloos vertrouwen stellen, onbeperkt vertrouwen;

— het was er grenzeloos vervelend, ontzettend vervelend.