Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Grendel

betekenis & definitie

GRENDEL, m. (-s, -en), ijzeren schuifbout ter sluiting van poorten, deuren of vensters hij sloeg de deur dicht en schoof den grendel er op;

— achter de grendels, achter slot en grendel zitten, in verzekerde bewaring, in de gevangenis zijn;
— (veroud.) de grendels dooreten, (van een schuldenaar) zoolang op kosten van zijne schuldeischers in gijzeling zitten tot zij tot het onderhoud niet langer gelieven te betalen. GRENDELTJE, o. (-s).