Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Graven

betekenis & definitie

Het begrip graven heeft 3 verschillende betekenissen:

1. graven - GRAVEN, (groef, heeft gegraven), met eene spade of ander gereedschap in den grond delven, spitten de poldergasten zijn druk aan het graven voor het nieuwe kanaal; een gat graven;
— (zegsw.) die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in, die den ondergang van zijn naaste bedoelt, veroorzaakt zijn eigen val;
— (fig.) de ijverzucht groef eene kloof tusschen de beide vrienden, verwijderde hen van elkaar;
— uitgraven, opgraven goud graven;
— veen graven, er turf van steken;
— (ook) met klauwen (of handen) of met den snuit in de aarde wroeten de mollen graven gangen onder den grond;
— uithollen, uitgraven de zorg groef rimpels in zijn voorhoofd;
— (Zuidn.) begraven eenen hond graven; rapen en wortels graven, inkuilen. GRAVING, v. (-en).

2. graven - GRAVEN, in de uitdr. jassen en graven, een. zeker kaartspel, klaverjassen.

3. graven - GRAVEN, m. zie GRAAF (2de art.).