Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Gratie

betekenis & definitie

GRATIE, v. bevalligheid, gracie, zie aldaar;

— goedgunstigheid, welwillende gezindheid, gunst: bij iem. in de gratie zijn, komen, bij hem in de gunst zijn, komen;
— uit de gratie raken, in ongenade vervallen;
— bij de gratie, door gunst: hij is bij de gratie door zijn examen gekomen, ternauwernood;
— het jaar van gratie, het tijdperk na het overlijden van een predikant, gedurende hetwelk zijne weduwe of kinderen de inkomsten der vaccerende plaats mogen blijven genieten (annus gratiae): gedurende het jaar van gratie moet de ring voor de predikantsweduwe in de vacature preeken;
— genade, goedertierenheid koning bij de gratie Gods, van Gods genade;
— een kunstenaar bij de gratie Gods, een geboren kunstenaar;
— de slag van gratie, de genadeslag;
— geheele of gedeeltelijke kwijtschelding van straf gratie wagen; de koning heeft het recht van gratie;
— dankgebed: (Zuidn.) de gratie zeggen, danken (na den maaltijd).