Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Graspieper

betekenis & definitie

GRASPIEPER, m. (-s), zekere vogel, veldleeuwerik (anthus pratensis);

...PLANT, v. (-en), afzonderlijk plantje van eene grassoort; gras;
...PLEIN, o. (-en), grasveld;
...POEP, m. (-en), grasmof;
...PREEK, v. (-en), (hist.) hagepreek
...RAND, m. (-en), rand van graszoden langs een wandelpad, om een bloemperk.