Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Grasanjelier

betekenis & definitie

GRASANJELIER, v. (-en), (plantk.) de gepluimde anjelier (dianthus plumarius);

...BAND, m. (-en), (in tuinen) de rand van graszoden om de perken en langs de paden;
...BEEMD, m. (-en), grasvlakte;
...BEEST, o. (-en), (Zuidn.) koe of os die vetgeweid wordt;
...BEZODING, v. het bekleeden met graszoden;
...BIES, v. (...biezen), (plantk.) eene soort van cypergras (rhynchospora), die vrij algemeen op vochtige, veenachtige gronden groeit: witte en bruine grasbies;
...BIJTER, m. (-s), de beide middelste snijtanden van een paard;
— (gew.) graskalf;
...BLOEM, v. (-en), bloem die in het gras groeit, veldbloem, inz. de kleine madelief (bellis perennis); (ook) de bloem der grassen;
...BOOM, m. (-en), zeker gewas in Nieuw-Holland (zanthorrhoea);
...BOTER, v. boter, gemaakt van de melk van vee dat in de weide loopt (in tegenst. met hooiboter, stalboter);
...BUIK, m. (-en), (van een paard) een buik die aan beide zijden sterk uitsteekt (ten gevolge van het eten van meer gras of hooi dan korenvoedsel), hooibuik; (ook) een haas die, in de weiden huizende, zich met gras voedt en wiens vleesch minder geacht wordt dan dat der duin- en heihazen;
...DROGER, m. (-s), (landb.) een werktuig om het gemaaide gras te drogen;
...DUIKER, m. (-s), (Zuidn.) menschendrek;
— soort van vogel, groenvink.