Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Graf

betekenis & definitie

GRAF, o. (graven), ruimte waarin een lijk begraven wordt, grafkuil, (ook) grafkelder een enkel, een dubbel graf, voor eene of voor twee lijkkisten, naast elkander geplaatst;

— een eigen graf, dat het eigendom is van iemand of van eene familie; een graf koopen; een graf openen, roeren, schenden;
— naar zijn graf gaan, sterven, het hoofd neerleggen;
— hij ligt in het graf, is gestorven;
— (fig.) zijn eigen graf delven. of graven, zijn eigen ondergang, ongeluk of mislukking bewerken;
— een geheim in het graf medenemen, het niet openbaren;
— als hij dat zag (of wist), zou hij zich in zijn graf omkeeren, zou hij er zich in hooge mate aan ergeren;
— (Zuidn.) de sleutels op het graf leggen, van de erfenis afstand doen;
— plaats waar iem. begraven ligt, grafstede hij ging dikwijls naar het graf zijner moeder; het Heilige Graf, de grafstede van Jezus: eene bedevaart doen naar het Heilige Graf;
— (w. g. zegsw.) bij het Heilige Graf waken, vergeefsche moeite doen;
—j (w. g.) kijven om Mozes’ graf, twisten over eene zaak die aan beide partijen onbekend is;
— er loopt iemand (of een hond) over mijn graf, gezegd als men eene plotselinge rilling over den rug voelt gaan;
— grafsteen, graftombe: het graf van Willem den Zwijger; de kinderen speelden tusschen de graven;
— de laatste rustplaats rusten in het koele graf;
— een graf in de golven vinden, op zee omkomen;
— iemand ten grave (of naar het graf) dragen, begraven;
— ten grave dalen, gaan, begraven worden, (ook) overlijden;
— iemand in het graf voorgaan, vóór hem overlijden;
— iemand (spoedig) in het graf volgen, kort na hem overlijden;
— hij heeft een zoontje in het graf, door den dood verloren
— eene kortstondige ziekte rukte hem ten grave, veroorzaakte zijn dood;
— een ontijdig, een vroegtijdig graf vinden, een vroegen dood sterven;
— eene hevige ziekte bracht hem aan den rand van het graf, in de nabijheid van den dood;
— met den eenen voet in het graf staan, hoogbejaard, den dood nabij zijn;
— over het graf, aan gene zijde des grafs, hiernamaals;
— van de wieg tot aan het graf, van de geboorte tot den dood, de geheele levensloop:
— (fig.) de dood het graf alleen kan ons scheiden,
— de ondergang, het einde van iets de vriendschap van twee meisjes vindt dikwijls haar graf in het huwelijk van een van haar;
— het graf als het toonbeeld van stilte, stilzwijgendheid, van duisternis enz. eene stilte als van het graf; zwijgen als het graf, volkomen zwijgen; vooruitzichten zoo duister als het graf, duistere vooruitzichten; hij is zoo gierig als het graf, zeer gierig;
— (Zuidn.) put om aardappelen in te kuilen; (ook) de put vóór het fornuis in eene zoutziederij. GRAFJE, o. (-s).