Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Graat

betekenis & definitie

GRAAT, v. (graten), scherp of kantig gebeente, inz. van visschen ik zal den haring schoonmaken en er de graten uithalen; pas op, dat er geen graatje in je keel schiet;

— (fig.) een graat in de keel hebben, schor zijn;
— er zitten geen graten in, (scherts.) van spijs die gemakkelijk en snel naar binnen gaat;
— (fig.) geen graten in iets vinden, elders geen been in iets zien, er geen zwarigheid m zien:
— (Zuidn. er zijn graten in, het is niet volmaakt;
— geen visch zonder graten, geen koren zonder kaf;
— (ook) het geheele geraamte van een visch, behalve de kop rood (of niet zuiver) op de graat, van visch die niet volmaakt frisch meer is, (fig.) van personen die niet geheel eerlijk, niet volkomen te vertrouwen zijn; (ook) tot de roode partij behooren;
— hij is nog al fijn op de graat, streng rechtzinnig (in het geloof, in de leer);
— men weet niet of men visch of graat aan hem heeft, wat men aan hem heeft, of hij al of niet van zekere partij is;
— er is visch noch graat aan hem, hij is tot niets geschikt;
— zoo mager als een graat, zeer mager;
— van de graat vallen, sterk vermageren, (ook) van honger omkomen: eet nog wat, anders val je van de graat;
— (Zuidn.) te kale grate, heelendal, tot het laatste: te kale grate iets opeten, verslijten; GRAATJE, o. (-s);
— scherpe kant van bekapt hout of behouwen steen;
— diagonaalrib of kant van een kruisgewelf;
— braam of draad op de snede van een mes.