Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Gouverneur

betekenis & definitie

m. (-s), bestuurder, landvoogd;

— militair opperbevelhebber in eene stad of vesting;
— titel van den vertegenwoordiger des Konings in eene provincie, aldus nog in België; in Nederland sedert 1818 officieel vervangen door Commissaris des Konings;
— (in de overzeesche bezittingen) de vertegenwoordiger van het koninklijk gezag in Suriname en op Curaçao;
— titel van sommige hoofden van het gewestelijk bestuur in de Oost;
— (ook) verkorting van den titel Gouverneur-Generaal;
— (Z. A.) hij verbeeldt zich dat de gouverneur zijn hond zijn oom is, hij heeft een hoogen dunk van zich zelf;
— persoon, die belast is met de opvoeding en het onderwijs van kinderen of jongelieden de jonkers gingen met hun gouverneur op reis;
— (stoomw.) eene inrichting om den stoomtoevoer van eene machine zoo te regelen, dat deze eene eenparige snelheid behoudt, centrifugaal-regulator.