Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Gouden

betekenis & definitie

bn. van goud vervaardigd, uit goud bestaande: een gouden ring, een gouden beker; gouden en zilveren werken; een gouden tientje, tienguldenstuk;

— een gouden vijfje, vijfguldenstuk;
— de gouden standaard, uit goud geslagen standpenning als grondslag van een muntstelsel, (ook) muntstelsel met gouden standaardmunt;
— de gouden bul, een staatsstuk dat van een gouden zegel voorzien is, inz. de door den Duitschen Keizer Karel IV in 1356 uitgevaardigde rijkswet, waarbij de keizerskeuze geregeld en het aantal keurvorsten op zeven gesteld werd;
— de gouden roos, of deugdroos, eene sedert de 12de eeuw door den Paus op Rozenzondag gewijde roos als zinnebeeld van Christus, inz. aan vorstelijke personen geschonken;
— (spr.) iem. gouden bergen (of koeien met gouden horens) beloven, hem rijkdommen of begeerlijke zaken voorspiegelen;
— het gouden kalf aanbidden, den Mammon, het geld vereeren, rijke lieden naar de oogen zien;
— door een gouden keten verbonden zijn, van echtgenooten die elkaar om het geld genomen hebben;
— met een gouden net (of een gouden hengel) visschen, pogingen doen om iets gedaan te krijgen met geld of geschenken;
— zich toegang verschaffen door middel van een gouden sleutel, door geschenken, omkooping;
— een eerlijk handwerk heeft een gouden bodem, levert altijd een bestaan op;
— de Gouden Ploeg, eene vereeniging van zeer rijke aannemers van waterstaatswerken;
— een huis met gouden balken, met eene hypotheek;
— met goud doorweven, van gouddraad vervaardigd: gouden tressen, epauletten;
— eene schilderij in gouden lijst; glasmozaïek op een gouden grond;
— (van vergulde uithangteekens enz.) de gouden Druif, in den gouden Wagen;
— (wapenk.) van gouden of gele kleur: in rood een gouden arend; ten zwarte leeuw in een gouden veld;
— (van hetgeen uiterlijk op goud gelijkt) een gouden weerschijn; de gouden zonnestralen; gouden vlieg, gouden vlinder, gouden tor, zekere glanzige insecten;
— (fig.) de gouden eeuw, (myth.) het tijdperk toen Saturnus op aarde gebood en allerwegen vrede, geluk en voorspoed heerschten, (bij uitbr.) tijdperk van bloei en welvaart;
— ergens gouden dagen doorbrengen, dagen van onbezorgd geluk;
— uitnemend, kostelijk: gouden raadgevingen; eene gouden spreuk;
— de gouden bruiloft, het gouden feest, feestelijke herdenking van een voor vijftig jaren gesloten huwelijk: zijn gouden bruiloft vieren; (ook) het gouden paar, de gouden bruid en bruigom;
— het gouden feest, (ook) vijftigjarig jubileum in ’t algemeen.
— Vgl. verder GOUD (2de art.) en GULDEN.