Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Goochelen

betekenis & definitie

(goochelde, heeft gegoocheld), vlugge, voor het oog bedrieglijke toeren met de handen verrichten, door handigheid de toeschouwers misleiden, tooveren: op die kinderpartij heeft iemand voor de kleinen gegoocheld; goochelen met de kaart;

— op handige of bedrieglijke wijze met iets omspringen: goochelen met woorden en klanken; de wethouder van financiën wist met de cijfers te goochelen.