Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Goesting

betekenis & definitie

v. (Zuidn.) lust, trek, zin, smaak: zijne goesting doen, naar eigen verkiezing handelen: ieder zijne goesting, ieder zijn meug;

— bekomst: mag ik mijne goesting niet eten? zooveel ik lust;
— iem. zijne goesting van iets geven, zooveel als hij verlangt.