Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Goedkoop

betekenis & definitie

Het begrip goedkoop heeft 2 verschillende betekenissen:

1. goedkoop - bw. bn. (-er, of beterkoop, -st), voor weinig geld, voor geringen prijs: goedkoop koopen en verkoopen; het vleesch is hier beterkoop te krijgen dan bij u in de stad;
— er goedkoop afkomen, met geringe onkosten, (fig.) zonder groote schade of last;
— bn. niet hoog in prijs, niet duur: eene goedkoope jas;
— het is op een dorp goedkooper dan in eene groote stad, het leven is er minder duur;
— (spr.) goedkoop, duurkoop, alle waar is naar haar geld, de zuinigheid bedriegt vaak de wijsheid;
— duurkoop, goedkoop, het koopen van duurdere, maar deugdelijke waar wint op den duur uit;
— (fig.) gemakkelijk te verkrijgen, van weinig waarde: een goedkoop effect; eene goedkoope aardigheid, eene geestigheid, die laag bij den grond is;
— (van personen die geen hooge prijzen vorderen enz.) niet duur: die kleermaker is goedkoop;
— den Haag is goedkooper dan Amsterdam, het leven is er minder duur;
— een goedkoope winkel, waar men voor weinig geld terecht kan.

2. goedkoop - m. en v. goedkoopte: zij gebruiken vet in plaats van boter voor de(n) goedkoop; het gaat alles op een goedkoopje, op een zuinigje;
— (w. g.) hij dingt tegen den goedkoop, een lage prijs is hem nog niet laag genoeg.