Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Goedig

betekenis & definitie

bn. bw. (-er, -st), (w. g.) vriendelijk, liefderijk: gelijk een goedig vader zijn kind kastijdt;

— (van God) lankmoedig: zij loofden den Heere, dat hij goedig is;
— toegeeflijk, zachtaardig, inschikkelijk (met bijgedachte aan zwakheid van karakter): een goedige sukkel; wat is die hond goedig;
— (van het gelaat, de oogen enz.) vriendelijk, goedhartig van uitdrukking: zij heeft zulke goedige oogen;
— bw. op eene wijze die blijk geeft van goedhartigheid: goedig kijken: kind, sprak zij goedig, gij moet dat zoo hoog niet opnemen.