Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Godswil

betekenis & definitie

GODSWIL (OM), bw. uitdr. ter wille, ter liefde van God, om Gode welgevallig te zijn om Godswil, een kleinigheid, Meneer (smeekbede van een bedelaar);

— het is wel besteed, wat men om Godswil geeft, wat men aan de armen wegschenkt;
— (Zuidn.) om Godswil gaan, gaan bedelen;
— zonder loon, kosteloos, om niet: eene vrouw neemt geen ouden man om Godswil, niet zoo maar, doch om het geld;
— (ook) als uitroep van aandrang, bij een dringend verzoek ga toch om Godswil niet heen !;
— als uitroep van verwondering: hoe is ’t om Godswil mogelijk !