Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Godsspraak

betekenis & definitie

GODSSPRAAK, v. (...spraken), antwoord, uitspraak vanwege de godheid, orakelspreuk; (ook) het orakel dat antwoord geeft;

— (ook) voorspelling onder goddelijke inspraak, profetie de godsspraken der profeten;
— goddelijk bevel: de boeken in wier bladen de hemelsche godsspraken vervat zijn,
— inwendige godsstem de godsspraak in ons binnenste.