Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Godheid

betekenis & definitie

GODHEID, v. (...heden), goddelijkheid, goddelijke natuur de godheid van Jezus erkennen, loochenen;

— een goddelijk wezen, een god velen zoeken de heidensche godheden als natuurkrachten te verklaren; de Godheid, het Opperwezen, God.